O Nederland, let op uw zaak

Rotterdam, december 2084.

“Opa”, vroeg de jongen op samenzweerderige toon, “ik heb weleens gehoord dat je heel vroeger, bij het geef-feest, helemaal zelf mocht weten welke kleur schmink je op je gezicht deed. Is dat echt waar?” Hij keek zijn opa verwachtingsvol aan.

“Ssssst!”, fluisterde opa, die zenuwachtig om zich heen keek. “Daarover mag je niet spreken, dat weet je toch?”
De jongen knikte vaag. “Nou ja, praten mag toch wel? Wat geeft dat nou? Ik doe toch niks?”
Opa schudde zijn hoofd.
“Als je erover praat kun je anderen op slechte ideeën brengen. En slechte ideeën zijn voor slechte mensen. En jij wilt toch niet slecht zijn?”
De jongen zweeg even. Hij wilde niet slecht zijn, maar hij wist nog niet dat je van schmink een slecht mens kon worden. “Maar wat is er dan zo slecht aan –” “Jongen, onderbrak opa resoluut, “ik zei toch dat we hier niet over mogen praten? Als iemand ons net vandaag in de gaten houdt heb ik een probleem. Ik moest al een keer een week op cursus. Dat kwam doordat ik met je moeder gesproken heb over slechte dingen. De politie kwam erachter. Een tweede keer zijn ze vast niet zo mild.”

De jongen knikte nauwelijks merkbaar.
Opa fluisterde: “Ik sprak met haar over de tijd van vóór de revolutie. Toen mensen zelf keuzes wilden maken. Dat ze een eigen mening wilden hebben over wat goed was en wat niet. Ze wilden zelfs meebeslissen wat er in hun land gebeurde.”
De jongen keek zijn opa niet-begrijpend aan. Opa gebruikte onbekende woorden en begrippen. Democratie, referendum, zelfbeschikking. Mensen mochten kiezen. ‘Stemmen’ heette dat. Dan mocht je een keer in de 4 jaar een vakje rood kleuren. Soms zelfs vaker! Totdat veel mensen ineens het verkeerde vakje gingen inkleuren. En toen – “Maar waarom stonden die vakjes er dan op, als ze zo fout waren?”
“Ach, dat is een heel verhaal, jongen. Mensen kregen allemaal verkeerde informatie, daar kwam het door. Als ze goed geïnformeerd waren hadden ze wel goed gestemd.”

Opa legde verder uit. Je kon namelijk dingen ook opzoeken die niet goed voor je waren. Er was zoiets als ‘internet’, waar iedereen zomaar iets kon ‘plaatsen’. En als je dan iets las wist je nooit of het wel de goede mening was. Vol ontzag keek de jongen naar zijn opa. Had hij dat echt allemaal meegemaakt? Jammer dat hij dat niet aan zijn vrienden mocht vertellen!
Opa voegde er op luide stem aan toe: “Gelukkig is dat allemaal voorbij. Wie ben ik om een eigen mening te hebben? Tegenwoordig hoef je gelukkig niet meer zelf na te denken over wat goed is en wat fout.”
Hij schraapte zijn keel en vervolgde alsof er niets was gebeurd: “Wil je wat drinken?”

De jongen knikte. Opa stond op, schonk iets in voor hen beiden en ging weer zitten.

Op dat moment ging de bel.
Opa versteende van schrik en gebaarde de jongen om stil te zijn. Zou de politie echt zo snel zijn? Korte tijd zaten ze bewegingsloos in hun stoelen.

Nogmaals ging de bel – langer nu. Opa stond op, keek vluchtig naar de jongen en met bonzend hart liep hij naar de deur en deed open.
Het was de voedsel-consultant.
“Goedemiddag mijnheer! Ik dacht al, waar blijft u nu, er zal toch niets aan de hand zijn? Ik zag dat U gewoon was ingecheckt, thuis. Alstublieft, uw eten voor de komende dagen. Even kijken, uw cholesterol is wat hoog de laatste tijd, en uw gewicht wat laag, dus voorlopig krijgt u wat meer zemelen en Omega 3. De weeg- en meetinstructies heeft u inmiddels gekregen. Voedzame maaltijden en een fijne avond gewenst!”
Opa haalde diep adem. Zijn hart bonsde nog steeds. Waarom had hij zich eigenlijk zorgen gemaakt? Hij had toch niets verkeerds gezegd? Hij had toch juist luid verkondigd dat hij tegen al die slechte dingen was?!

Opgelucht liep hij terug naar de kamer. Hij was benieuwd naar wat hij zou eten die avond. Omega 3 had de man gezegd. Misschien wel zalm, waarschijnlijk weer koolvis of een andere goedkope vissoort. Als het in hemelsnaam maar geen havermout voor ontbijt was.

De jongen had inmiddels zijn glaasje leeggedronken en keek zijn opa bezorgd aan. “Niks aan de hand, gewoon het eten. Alleen wat vroeger dan anders.”
“Opa, één vraagje nog. Als je ergens over nadenkt, of misschien zelfs iets anders vindt dan de politie, mag dat wel? Of als je droomt?”

Opa dacht even na. “Nee, doe maar niet. Dat is slecht voor je. Doe maar gewoon wat je gezegd wordt. Dan kan je niets gebeuren.”
Fluisterend voegde hij eraan toe: “Maar voorlopig kan het geen kwaad, denk ik. Volgens mij kan nog niemand in jouw hoofd kijken zonder dat je het door hebt.” De jongen knikte, sloot zijn ogen en dacht na over het geef-feest. Hij fantaseerde dat hij helemaal onherkenbaar was, met een pruik en donker geschminkt en… Heel even was hij God in het diepst van zijn gedachten.

Leave a Reply

Your email address will not be published.